Landboekenproject

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

 

In zolders, kelders en verborgen kamertjes ligt nog heel wat erfgoed verborgen. Af en toe duiken in dat soort stoffige, vergeten ruimtes echte erfgoedschatten op. Zo vonden erfgoedmedewerkers te Wielsbeke op de zolder van het gemeentehuis onlangs een landboek van de’prochie’ Sint-Baafs-Vijve. Het werd op 6 mei 1763 aan de burgemeester en schepenen van Sint-Baafs-Vijve overgemaakt. Gezworen landmeter Charel Philippe Minne, die tien jaar later ook een landboek van de’prochie’ Desselgem zal opstellen, stond in voor de vervaardiging. De aanbesteding werd gedaan op 5 augustus 1761, één jaar nadat het kasselrijbestuur de opmeting bevolen had.

Een landboek is een register met de beschrijving van de percelen in een administratieve eenheid. Dat kan een heerlijkheid, een abdij of een gemeente (prochie). Zo'n landboek (ook wel ommeloper genaamd) werd opgesteld om de belastingen te verdelen over de belastingplichtigen. In de 17de en 18de eeuw werden de grondbelastingen namelijk omgeslagen, wat betekende dat de overheid elk jaar bepaalde hoeveel belastingen ze wilde innen, een bedrag dat vervolgens werd verdeeld over kasselrijen (provincies) en steden, vervolgens over de gemeenten (prochies) en tenslotte over de grondbezitters. Het was dan ook noodzakelijk om een overzicht van de gronden binnen die administratieve eenheden te bezitten. Aanvankelijk was dit vrijblijvend (d.w.z. het maakte de hogere overheid weinig uit hoe de lagere overheid het te innen belastingbedrag verdeelde), maar in de 18de eeuw, onder keizerin Maria Theresia, werden pogingen ondernomen haar volledige voogdijgebied op te meten. Zo beval het bestuur van de kasselrij Kortrijk omstreeks 1753-1754 aan elke onder haar bestuur resorterende ‘prochie’ een landboek op te maken (wellicht met uitzondering van de Roede van Menen). In zo'n landboek werden de percelen per kanton, wijk of begin genoteerd, met daarbij naam van de eigenaar, eventuele de pachter, situering (gewoonlijk aan de hand van de aangrenzende percelen) en oppervlakte. Vaak werd het opgemeten gebied ook in kaart gebracht. Sommige van die landboeken zijn gebaseerd op een ouder landboek, terwijl ze vaak zelf ook voorbeeld waren voor een vernieuwd register enkele decennia later. Uitzonderlijk werden eigendomsveranderingen op het landboek zelf aangebracht.

In het landboek van Sint-Baafs-Vijve wordt de ‘prochie’ ingedeeld in drie wijken of kantons. De Kerkwijk, tussen de Mandel, Leie, Wielsbeke en de dreef van de graaf van Wakken, telt 324 percelen en is 256 bunder 817,5 roeden (363,5 ha) groot. D'Oije, tussen de Leie, de Oude Leie en ‘de straete’ telt slechts 153 percelen en is 108 bunder 1522 roeden (154,5 ha) groot. De laatste wijk, Den Drooghen Broodthoeck tussen Mandel, dreef van de graaf van Wakken, Wielsbeke, Oostrozebeke en opnieuw de Mandel, telt 198 percelen en is 209 bunder 9 roeden (296 ha) groot. Van elke wijk werd een figuratieve kaart gemaakt, waar op heden echter elk spoor van ontbreekt.

Het landboek is het eerste document waarin de volledige oppervlakte van de latere gemeente Sint-Baafs-Vijve volledig staat opgetekend. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Wielsbeke (door François de Vos in 1720) ‘en gheeft ‘Sint-Baafs-Vijve’ gheenen landt bouck nochte metinghe ende daer en is gheene memorie datter uijt eenen geext(rah)eert heeft’. De waardebepaling van de gronden (voor de omslag van de belastingen) gebeurde daarom op basis van de ‘voorgaende pointinckrollen’, waarbij opgemerkt wordt dat sommige meersen dubbel en andere helemaal niet vermeld worden.

 

De vondst van dit waardevolle landboek is uitstekend nieuws in het kader van het lopende landboekenproject van Heemkunde West-Vlaanderen (zie daarvoor meer op https://kaartenwestvlaanderen.wordpress.com/blog/). Tot op heden blijven nog talrijke landboeken en ommelopers, onmisbare bronnen voor historisch-heemkundige onderzoek vermist of verborgen. Laten we dan ook hopen dat het exemplaar van Sint-Baafs-Vijve niet het laatste is dat terug aan de oppervlakte komt.